
‘Door het vogeltje in Peter en de Wolf ben ik dwarsfluit gaan spelen’
door Ewoud Nysingh
Marieke Zeeman (53) is naast haar werk als internist ouderengeneeskunde een begaafd fluitiste en piccolospeler. Marieke woont met haar partner en hoornist Breunis van Wolfswinkel en haar drie kinderen in Deventer. Ze speelt als eerste fluitiste in het HanzeOrkest Zwolle – volgens haar ‘net zo goed als het DKO’ – en ze maakt veel kamermuziek. Aan dit programma van het Deventer Kamer Orkest werkt ze graag mee met haar blaaskwintet kWINd, dat is aangevuld met extra blazers.
Marieke: ’Muziek verbindt van alle kanten. De piccolo en de eerste hoornist zitten altijd naast elkaar in een orkest. Zo heb ik Breunis ontmoet toen hij naast mij plaats nam.
Mijn buren zijn jullie concertmeester Gwendolyn en haar partner Lothar, beiden hele goede violisten, die weer meespelen met onze vriendenconcerten. Ik ging luisteren naar het dectet van Breunis, een ensemble met tien blazers. Ik bleek bijna het hele ensemble te kennen van eerdere orkesten. Je komt elkaar overal weer tegen. Breunis speelt nu als lid van kWINd dus ook mee met het DKO.’
‘Wat zo heerlijk is, naast het samenspelen, is dat wij als muzikanten een gezamenlijke taal spreken. De liefde voor de muziek en het gevoel dat je deelt met elkaar na een mooi concert is moeilijk uit te leggen aan mensen die geen instrument bespelen. Dat blijft een goed bewaard geheim.’
Wanneer ben je begonnen met de dwarsfluit?
‘Dat komt door Peter en de Wolf, het vogeltje. Op mijn kamer had ik een pickup en een langspeelplaat met Ko van Dijk. Ik heb hem grijs gedraaid.Toen ik zes jaar was mocht ik een instrument kiezen. Toch twijfelde ik een beetje, want harp was voor mij ook een mogelijkheid. Mijn ouders zagen zich echter al met een harp van hot naar her rijden, dus toen werd het de dwarsfluit. Wij woonden in Schagen in Noord-Holland. Ik werd lid van Schagens Harmoniekapel, met als bijkomstigheid dat de lessen goedkoop waren. Ik deed daar allerlei examens, ook over harmonieleer. Samenspelen vond ik vanaf het eerste begin geweldig. Het dwingt je ook om thuis te oefenen. Als je dat niet doet dan val je direct door de mand.’
Wat was het eerste orkest waar je deel van uitmaakte?
‘Toen ik 16 jaar was zag mijn moeder een advertentie in de krant voor dwarsfluit audities bij het Noordhollands Jeugdorkest. Tot mijn verbazing werd ik aangenomen. We repeteerden in Alkmaar. Het was een geweldige ervaring. De eerste keer huilde ik van ontroering. Het tweede pianoconcert van Rachmaninov stond op de lessenaar.
Het was zó mooi.’
En de piccolo, dat doe je er bij?
‘De piccolo vind ik zo leuk, het is de feestneus van het orkest. Maar niet iedere fluitspeler wil er op spelen. Als je fluit speelt merk je echter al snel dat ze vaak een piccolo nodig hebben, ook dwarsfluit, je moet het vaak combineren. Door de piccolo ben ik in de meeste orkesten waarin ik heb gespeeld binnengekomen.
Fluitisten, in een symfonieorkest heb je er altijd twee, zitten vaak jarenlang op hun plek. Daar kom je dus niet snel tussen. Maar als je piccolo speelt dan heb je een kans. Die heb ik vaak gegrepen. Sterker nog: zo ging het toen ik in Amsterdam studeerde altijd. Daar speelde ik in twee orkesten want daar hadden ze dus een piccolo nodig. Ook in Groningen, waar ik mijn studie vervolgde, was het weer eerst de piccolo. Ook bij het Deventer Symfonieorkest waar in 2008 terechtkwam toen ik in Deventer kwam wonen speelde ik fluit en piccolo. Bij mijn afscheid mocht ik solo spelen voor het orkest. Doodeng maar wel een geweldige ervaring. Mijn aanmelding bij het HanzeOrkest verliep op dezelfde wijze. Alleen bij het DKO ging het echt om de dwarsfluit. Maar, let op, ik speel in de Sibelius een klein stukje op de piccolo.’
Op wat voor een dwarsfluit speel je?
‘Ik heb een houten fluit. De dwarsfluit is van oudsher van hout. In de barok heb je de traverso, die is heel mooi en zacht van geluid maar dat hoor je niet bij een modern symfonie-orkest met zijn volle orkestklank. De laatste jaren worden er weer echt goede houten dwarsfluiten gebouwd. Ze hebben een goed bereik en zijn minder gevoelig voor scheuren. De warme kleur van een houten fluit mengt erg goed met de andere houtblazers: hobo, klarinet en fagot.
Een houten fluit is wel duurder dan een zilveren fluit. Mijn fluit komt van een bouwer in Amerika, Powell. Het kopstuk is gemaakt door Mancke, een Duitse specialist die alleen fluitkopstukken bouwt.
Hoe zijn de repetities met het DKO gegaan?
‘Wij zijn heel blij dat we met zo’n goed en leuk orkest mogen samenspelen. Dirigent Peter Bogaert weet precies wat hij wil, hij is heel duidelijk, ook in zijn slag. Dat spreekt mij enorm aan. En Peter hoort echt alles. Als een verkeerde noot wordt gespeeld dan krijg je dat direct te horen. Maar er is ook veel aandacht voor de klankleur, de sfeer, eigenlijk de muziek tussen de noten door.’
‘Hij nam hele hoge tempi in de Mozart, en ook in de Devienne. Daar moesten veel spelers tijdens de repetities erg aan wennen. Wij als solisten worden bij Devienne flink uitgedaagd. Hij gaat soms net iets sneller dan wij zouden willen, of denken te kunnen, zonder dat het echt oncomfortabel wordt. Vaak wordt het er dan wel net iets interessanter door.’