Page image

Vrijdag 5 en zondag 7 juniFika! - Scandinavische muziek -

Vrijdag 5 juni, 20.00 uur Ichthuskerk, Deventer/Colmschate

Zondag 7 juni, 15.00 uur, Gudulakerk, Lochem

Wij nodigen u uit voor een zomerse zgn.’Fika’: even gezellig bij elkaar zijn met koffie en iets lekkers erbij, gebakken door de orkestleden. De Fika is vooral gebruikelijk in Zweden en omstreken. Tijdens de koffie spelen we een Scandinavisch programma met korte maar oh zo boeiende werken uit maar liefst 6 landen: Estland, Noorwegen, Zweden, Finland en Denemarken en één buitenbeentje: Italië.

Arvo Pärt: Summa voor strijkers

Arvo Pärt (1935) is een Estse componist en geldt als een van de belangrijkste hedendaagse componisten van religieuze muziek. Summa werd in 1977 oorspronkelijk voor koor geschreven en in 1991 bewerkt voor strijkorkest. Het is een van de eerste werken waarin Pärt zijn kenmerkende tintinnabuli-stijl ontwikkelde, een sobere, tonale schrijfstijl die verwantschap vertoont met het minimalisme en is geïnspireerd door middeleeuwse gezangen en renaissancepolyfonie. De term tintinnabuli – Latijn voor ‘belletjes’ – verwijst naar het klankbeeld van de muziek. Met een beperkt aantal noten en langzaam verschuivende harmonieën ontstaat een kalme, meditatieve beweging. Pärt omschreef zijn stijl zelf als volgt: één enkele mooi gespeelde noot, een moment van stilte of de drie tonen van een drieklank kunnen al voldoende zijn om een diepe uitdrukking te bereiken. Summa is gebaseerd op de tekst van het Credo uit de mis. Het schommelende motief van twee noten keert steeds terug en geeft het werk een rustige cadans en een bijna mantra-achtige, spirituele sfeer.

Edvard Grieg: 2 Melodieën, opus 53

Edvard Grieg (1843–1907), geboren in Bergen, was een Noors componist en pianist uit de romantiek. Met werken als het Pianoconcert in a-mineur, de Lyrische Stukken voor piano, zijn liederen en de Peer Gynt-suites geldt hij als de belangrijkste Noorse componist. De dirigent Hans von Bülow noemde hem daarom ook wel “de Chopin van het Noorden”. De Twee melodieën voor strijkorkest, op. 53 (1890), zijn gebaseerd op liederen op teksten van twee verschillende Noorse dichters: Aasmund Olavsson Vinje en Bjørnstjerne Bjørnson. De twee stukken verschillen dan ook sterk van karakter. De eerste melodie uit de Two Melodies, Op. 53 van Edvard Grieg: "Norsk" (Noors), vaak aangeduid als Norwegian of Norsk folkvisestemning op tekst van Vinje, heeft een uitgesproken nationaal karakter. Het bezingt standvastigheid en het volgen van het juiste pad, zelfs in moeilijke tijden. Het middendeel ademt een sfeer van solidariteit en saamhorigheid. De 2e melodie ‘Det første mødes sødme’ (De zoetheid van de eerste ontmoeting), op een gedicht van Bjørnson, schildert juist een verstilde natuuridylle. De magie van een eerste ontmoeting versmelt met de sfeer van de natuur. Subtiele melodische uitroepen en de vele wisselingen tussen majeur en mineur geven de muziek een dromerig en betoverend karakter.

Dag Wirén: Serenade voor strijkers, op. 11

Dag Wirén (1905–1986) was een Zweedse componist die het neoclassicisme trouw bleef. Zijn relatief kleine oeuvre laat wel een ontwikkeling zien: vroege werken zijn toegankelijk en beïnvloed door de Franse muziek van de jaren twintig en dertig, terwijl zijn stijl rond 1940 soberder en minder direct werd. Ritme, motiefontwikkeling, formele helderheid en het veelvuldig gebruik van ostinato’s vormen belangrijke kenmerken van zijn muziek. Zijn bekendste werk is de Serenade voor strijkorkest (1937), die uit vier delen bestaat: Preludium, Andante espressivo, Scherzo en Marcia. Het openingsdeel klinkt helder en energiek en laat horen hoeveel kleur en expressie een strijkorkest kan bieden. Het Andante is rustiger en lyrisch, met pizzicati en een zangerige melodie. Het snelle Scherzo vormt een levendig contrast. De afsluitende Marcia is vrolijk en licht triomfantelijk, maar heeft ook een parodistisch karakter: Wirén had weinig waardering voor militaire marsmuziek. Dit laatste deel werd jarenlang wereldwijd bekend doordat de BBC het gebruikte als herkenningsmelodie voor het kunstprogramma Monitor.

Jean Sibelius: Impromptu voor strijkers, opus 5

Jean Sibelius (1865 - 1957) is Finlands bekendste componist. Hij was ook muziekpedagoog en dirigent. Het Impromptu op. 5 voor strijkersensemble is een vroeg werk uit 1894, waarin Sibelius thematisch materiaal gebruikt uit zijn impromptu’s voor solo-piano nr. 5 en 6, die hij kort daarvoor had gecomponeerd. De strijkorkest versie keert hun karakter echter bijna volledig om. Sibelius transformeert de opening van een hemelse, watervalachtige etude op de piano tot een ingetogen strijkerskoor, met slechts een constante, syncopische cellolijn om het stuk een beetje vaart te geven. Aan de andere kant wordt de eens zo weemoedige 6e impromptu voor piano een lichtere dans, met een subtiele energie in de staccato-begeleiding van de 2e viool en de pizzicato-baslijn, terwijl de melodie van de 1e violen en altviolen erboven zweeft, in prachtige lange, legato-frasen. Sibelius componeerde dit werk slechts een jaar nadat hij zijn levenslange droom om soloviolist te worden, had opgegeven. De treurige opening van zijn impromptu kan worden gezien als een weemoedige terugblik op de carrière die hij had kunnen hebben.

Carl Nielsen: Boheems-Deense volksmelodie

Carl August Nielsen (1865 – 1931) was een Deens componist, dirigent, kornettist en violist. Hij wordt, vooral vanwege zijn zes symfonieën en twee opera's, beschouwd als de belangrijkste componist van zijn land. In 1928 trad het Deens Radio Symfonieorkest op tijdens een concert ter ere van de tiende verjaardag van de oprichting van de Republiek Tsjechoslowakije. Voor deze gelegenheid had de dirigent van het orkest, Emil Holm, Nielsen gevraagd een stuk te componeren waarin zowel een Tsjechische als een Deense volksmelodie verwerkt zou zijn. Het stuk is opgebouwd rond twee volksmelodieën: het Boheemse „Teče Voda, Teče” (Het water stroomt, het water stroomt), dat als eerste in het stuk te horen is. Het tweede lied vertelt over de bekentenis op haar sterfbed van koningin Dagmar, de echtgenote van koning Valdemar, waarin zij haar enige aardse zonde onthult: het rijgen van haar mouwen op een zondag. Koningin Dagmar was een Boheemse prinses en vormt daarmee een schakel tussen de twee melodieën en naties. Nielsen verbleef in de zomer van 1928 zelf op een kuuroord in Tsjechoslowakije, en aangenomen wordt dat hij daar kennis maakte met de Boheemse volksmelodie en inspiratie vond voor het stuk.

Het stuk werd oorspronkelijk voor kwartet geschreven en later omgezet voor strijkorkest. Het is een Andante con moto.

Antonio Vivaldi (1678-1741) Concert voor twee celli en orkest in g klein, RV 531

Antonio Vivaldi werd geboren in Venetië en begon zijn loopbaan als priester, maar zijn ware passie lag in de muziek. Over zijn opleiding is weinig bekend. Zijn vader leerde hem vioolspelen en bezorgde hem op jonge leeftijd een plaats in het orkest waar hij zelf speelde; in dezelfde periode leerde Vivaldi ook orgel spelen. Hij verwierf al snel faam als virtuoos violist en componist. Vanwege zijn rode haar kreeg hij de bijnaam “Il Prete Rosso” (de Rode Priester). Vivaldi werkte als violist in een meisjesweeshuis in Venetië, waar de muzikale prestaties van de pupillen al snel grote bekendheid kregen, ook buiten Italië. Men repte over de “meisjes met stemmen als engelen”. Doordat ze de kans kregen hun muzikaliteit te ontwikkelen, hadden ze de mogelijkheid in hun levensonderhoud te voorzien. Dat was voor wezen heel moeilijk, omdat ze doorgaans geen bruidsschat hadden en dus niet konden trouwen. Omdat meisjes in het openbaar geen muziek mochten maken, gaven zij hun concerten achter een doek. Voor hen componeerde Vivaldi het merendeel van zijn concerten, cantates en kerkmuziek. Naast Venetië werkte Vivaldi tussentijds ook in Mantua en in Rome. Vanaf 1726 was hij muzikaal directeur van het Teatro Sant ‘Angelo in Venetië en groeide uit tot een levende legende. Musici uit heel Europa trokken naar de stad om hem te horen en te ontmoeten. Naast veelvuldige reizen door Italië bezocht hij ook Wenen en Praag. In 1740 vestigde hij zich in Wenen, mogelijk omdat de muzieksmaak in Venetië veranderde en zijn werk daar minder in trek raakte. Tien maanden later overleed hij er. Vivaldi componeerde meer dan zevenhonderd werken. Zijn muziek was bedoeld om een breed publiek te bereiken, en niet alleen de muzikale elite.

Het is het enige dubbelconcert dat Antonio Vivaldi voor celli schreef. Solisten zijn: Wilbert Neijmeijer en Joke van Kuijk. Het staat bekend om zijn ongebruikelijke opening, waarin de twee celli meteen de hoofdrol krijgen. Het lijkt alsof zij een muzikale dialoog met elkaar aangaan. Het eerste, snelle deel wordt gevolgd door een melancholisch Adagio en sluit af met een bruisend Allegro, dat begint met aanstekelijke syncopen in het orkest voordat de solisten invallen met virtuoze passages. Het werk laat een meesterlijke wisselwerking tussen de twee solisten horen: melodieën worden afgewisseld, overgenomen en aangevuld. Dat Vivaldi de cello hier als solo-instrument centraal stelt, was in zijn tijd vernieuwend.

Kaarten zijn nu beschikbaar!